Zwaantien (Zwaantje) Huizing

Het onderstaande verhaal is bereidwillig beschikbaar gesteld door de heer Jan Koopman, spreker bij de afscheidsceremonie van Zwaantje Koopman op 14 mei 2013.

 

Hilversumsche Draadlooze Omroep opgericht, de voorloper van de Avro. De gemeente Amsterdam koopt een stuk grond ten zuidwesten van de Stad, dat gebruikt werd als militair luchtkamp. De naam was – en is nog steeds – Schiphol. In Den Haag wordt een filiaal geopend van warenhuis de Bijenkorf; het is de eerste winkel in Nederland met een roltrap – ze vinden wat uit… En in Amsterdam wordt een nieuw soort winkel geopend: de Hollandse Eenheidsprijzen Maatschappij, beter bekend onder de afkorting: de Hema. We zitten in het interbellum, de periode tussen twee grote oorlogen. 1926. Het is zo’n jaar waarin bijzondere kinderen worden geboren. De Britse koningin Elisabeth, bijvoorbeeld. Schaatslegende Jeen Nauta, Fidel Castro, Willy Alberti. Teddy Scholten, zangeres in de tijd dat Nederland nog wel eens het songfestival wist te winnen. En op vrijdag 2 juli van dat jaar 1926, was het prachtig zomerweer in het zuiden van Drenthe. Het was de dag dat Turfschipper Harm Huizing en zijn vrouw Luchina ook een bijzonder kindje kregen. De zevende, van de in totaal acht kinderen die hun huwelijk voortbracht. Een meisje. Ze noemen haar Zwaantien, dat werd al snel Zwaantje. Geboren in Odoorn. Tenminste… daar werd ze aangegeven, maar het zou best eens zo kunnen zijn dat het Valthe, of Valthermond is geweest, want ze waren van de oosthoek van Drenthe, met turf aan boord, door het Oranjekanaal onderweg naar Havelte en dan is het maar net wanneer je ergens gelegenheid hebt om aangifte te doen. Nou ja, laten wij het maar op Odoorn houden.

Opgroeien als dochter van een turfschipper. Heen en weer varen tussen Klazienaveen en thuishaven Havelte. Tot hun zesde waren de kinderen aan boord, vanaf hun zesde moesten ze naar school. In Havelte. Daar werden ze opgevangen door een voormalige knecht van Harm. Die zorgde er voor dat ze te eten kregen, dat ze netjes naar school gingen, hij leerde ze zwemmen… Een bijzondere bijkomstigheid, zwemmen leren. Dat zat toen nog niet in het standaard schoolpakket. Maar zeker voor schipperskinderen was het geen overdadige luxe. De manier waarop kun je wel over discussiëren: hij gooide ze in het kanaal en als je dan de kant kon bereiken, dan kon je zwemmen…
In 1932 stopte vader Harm met varen. Turf raakte uit de mode, er kwamen andere brandstoffen beschikbaar. Hij gooide het roer om, werd, in Havelte, handelaar in brandstoffen, met steenkool als belangrijkste product. Zwaantje zat op de lagere school, toen nog acht klassen. En inmiddels was gebleken dat ze een probleem had: net als haar vader was ze zwaar astmatisch. En dat was daarna, toen ze van school kwam, ook de reden dat ze niet uit werken ging, maar thuis bleef. Overigens was die ziekte niet het enige dat ze van vader had geërfd: haar grote liefde voor Groningen, voor die taal, voor dat land, dat had ze ook van hem.

Ik vertelde het al – zwaar lichamelijk werk kon niet, door die ziekte. Lichte klusjes, als bijvoorbeeld de kwitanties rondbrengen voor de huisarts, veel meer zat er niet in. En toen haar moeder overleed, was het Zwaantje die de huishouding overnam. En ze had al vroeg verkering, was zelfs al verloofd. Met ene Jan, uit Friesland. Dan denk je Jan, Friesland, moet goed komen, toch? Nou… niet helemaal. Want wat gebeurde… Vader moest op zoek naar een goeie, sterke, betrouwbare chauffeur. Er was een zeer geschikte kandidaat: Willem Koopman. Precies wat hij zocht. Er was echter één probleem: Willem werkte als boerenknecht en wilde, net als in zijn huidige functie, naast een redelijk salaris, ook kost en inwoning. Dus kwam hij bij de familie in huis. In dat kleine woninkje, met twee slaapgelegenheden: vader sliep beneden, de rest van de bedden stond boven… Daar sliep Zwaantje en daar kwam dus ook Willem. Tja, het bekende verhaal van de kat en het spek… Van die Friese Jan is daarna nooit meer wat vernomen…

In mei 1949 was Willem in dienst gekomen en in november van datzelfde jaar trouwden ze. Nee, niet wat u nu denkt. Want pas dik twee jaar later werd hun eerste kindje geboren. Eerst woonden ze nog even in bij vader Harm, maar na enige tijd verhuisden ze naar hun eerste eigen woninkje, aan de Dikke Steenweg. Daar werd, in 1952 Freddy geboren. In 1953 gevolgd door Ineke. 1953, het jaar waarin ze verhuisden naar de Beukenlaan 2, het adres waar ze de rest van haar leven zou blijven wonen. Een geheel nieuwe straat, zij waren de eersten die er kwamen. Jonge gezinnen, veel kinderen, dus. Voetbalveld aan de overkant, school op een steenworp afstand, volop vriendjes en vriendinnetjes – het was een prachtig plekje om op te groeien. Ook voor Harm, die in 1956 werd geboren, en voor Janny, die anderhalf jaar later het daglicht zag. En in de loop van 1964 werd Zwaantje weer zwanger. Kleine Harm, toen acht jaar hoopte vurig op een broertje. En dan, op 18 maart 1965, maakt zijn vader hem wakker. “Kom maar eens kijken, we hebben een baby ’tje”. Daar was Heleen. De reactie van Harm: “Een meid? Maak je me daar voor wakker?”

Willem werkte intussen als los arbeider. Harm had de brandstoffenhandel verkocht. Hard en zwaar werken, onder andere in de polder. Daar was, zeker in de zomer en het najaar, genoeg werk bij de diverse grote bouwboeren. Met een clubje mannen uit de buurt naar de Noordoostpolder. Willem had, met zijn ervaring als chauffeur, een grote auto gekocht. Zo ’n dikke Chevrolet. En dan trokken ze er ’s morgens in alle vroegte op uit, om pas ’s avonds weer thuis te komen. En als ’s morgens dat ding weer eens niet wilde starten, dan werd Zwaantje er bij geroepen. Zij, zonder rijbewijs nog, achter het stuur en de mannen duwen, tot de Chevrolet aansloeg en ze naar het werk konden. En in de winter, als er bij de boeren geen werk was, kwamen ze in de werkverschaffing. Iedere dag naar de Landbouwbank in Meppel. Armoede? Nee, dat niet. Maar het was zeker ook geen weelde. Gelukkig kon Zwaantje toveren met de beperkte middelen. Draaide elke cent minimaal drie keer om voor hij werd uitgegeven. Maakte veel kleren zelf, scheelt ook een hoop. En, niet vergeten, haar tuin. Zelf groente verbouwen, niet alleen nuttig, maar ze vond het ook prachtig om te doen. Haar tuintje, ze heeft er tot het laatst van haar leven van genoten. En er was nog een leuke bron van inkomsten: de ijscobak bij hun huis. Vooral in de zomer een leuke instromer. Ze woonden dicht bij het zwembad en als er kinderen uit de omgeving naar het zwembad waren geweest dan kwamen ze vaak op de terugweg een ijsje halen bij Zwaantje Koopman. En er was dat voetbalveld aan de overkant. Toen nog zonder eigen kantine. Dus als er op een mooie zonnige dag gevoetbald werd, dan kwamen spelers en toeschouwers in de pauze graag even naar de overkant, een ijsje halen. Dat betekende voor Willem en de kinderen wel dat ze vijf minuten voor het fluitsignaal naar huis moesten, want dan was het even hartstikke druk bij de ijscobak. Was wel eens moeilijk, want vaak zijn dat natuurlijk de spannendste momenten van een wedstrijd.

Ondanks de beperkte middelen waren zij de eerste in de straat met een telefoonaansluiting. Niet zo maar uit luxe, maar vooral ook omdat er altijd die dreiging was van een astma aanval. Dan moest onmiddellijk de dokter gebeld worden. Maar natuurlijk stond die telefoon ook voor de mensen uit de buurt ter beschikking. Soms voor behoorlijk persoonlijk, ja zelfs intieme gesprekken. Zoals die buurjongen die via hun telefoon informeerde of zijn vriendin nu wel of niet in verwachting was… Zwaantje vond dat prachtig. Het was toch weer een extra soort van contact met de mensen uit de buurt…

Afgelopen donderdag was ik in Havelte. In dat huisje aan de Beukenlaan. Om, samen met de kinderen en kleinkinderen, terug te kijken naar dat leven van Zwaantje. Prachtige herinneringen kwamen voorbij. Bijvoorbeeld aan de twee koffertjes die altijd klaar stonden. Met daarin wat hoogst noodzakelijke dingen als verschoning en een pyjama. Want als Zwaantje weer een aanval kreeg en naar het ziekenhuis moest, dan gingen de kinderen met die koffertjes naar Tante Annie, even verderop. Een gele voor Ineke, een blauwe voor Freddy. Voor Harm was blijkbaar geen koffertje, tenminste… dat kan niemand zich herinneren. Wel het moment dat Janny werd geboren. Toen de dokter kwam zat Harm, nog geen anderhalf, in de kinderstoel in de kamer. “Wat doen we daarmee?” vroeg de dokter, wijzend op kleine Harm. “Laat die maar mooi zitten”, reageerde Zwaantje, “hij zal het vast niet verder vertellen…” Herinneringen ophalen aan die altijd opgewekte, altijd positieve, optimistische vrouw. Hoe het thuis altijd een zoete inval was, voor vriendjes en vriendinnetjes die altijd welkom waren, mee mochten eten. Dan kon die kleine kamer van dat huisje soms behoorlijk vol zitten, maar dat werd dan vooral als gezellig ervaren. Terugkijken naar een mooi leven. Naar de Collies, waarmee ze nestjes fokten, omdat deze dieren door de TV-serie Lassie zo populair waren. Herinneringen aan Elza, de liefste hond van de wereld, die wel een beetje duur in het gebruik was, want hij vervrat zo ongeveer alles wat hij vond, in huis.

Herinneringen aan die ene vakantie. Met haar zus Jantje en hun beider kinderen in de trein, helemaal naar Limburg. Daar woonde Jantje op een boerderij, in the middle of nowhere, ergens tegen de Duitse grens aan. Met de trein, Jantje, Zwaantje en acht kinderen. De trein was het station nog niet uit of de eerste vlogen elkaar al in de haren. Een hele dag reizen, ’s avonds kwamen ze ter plekke. En op vrijdag belde Zwaantje naar huis. Willem mocht haar die zaterdag wel weer op komen halen. Dat ging dus niet door, Willem kwam een week later. Met die grote Chevrolet, samen met zijn neef Jan Been, die bij hen in de kost was. Kon er ook nog wel bij. Diezelfde dag reden ze terug, drie voorin, zes achterin, kon ruim, veiligheidsgordels bestonden nog niet… Zwaantje was voorgoed genezen. Het was de eerste vakantie met het hele spul. En de laatste. Herinneringen aan die bijzondere vrouw die een indrukwekkend leven heeft geleefd. Die haar sporen heeft achtergelaten, haar steen heeft verlegd…

In 1985 overleed Willem. Nog te jong, natuurlijk. Maar met name die zware jaren in dat werkkamp in Duitsland, de ziekte die hij daar opliep en het vele zware werk daarna in de polder, hebben zijn lijf gesloopt. Heleen en Frank kwamen eerst bij Zwaantje, maar na een paar maanden was ze in staat om het leven weer op te pakken. Intussen waren de kinderen volwassen, kregen zelf relaties en zorgden voor het mooist denkbare geschenk: kleinkinderen. Wat een feest. Wilfred, Leonie, Wouter, Jeroen, Martijn, Harald… En de liefde was wederzijds. De kleinkinderen vonden het geweldig om bij haar te zijn. Vroeger om te logeren en de laatste tijd… gewoon omdat het zo’n mooi mens was. Zwaantje wist ook vaak als eerste het laatste nieuws: “Martijn heeft ook verkering”. “Oh ja? Is het wat?” “Ja, wel een leuke meid, heel groot ook”, Nou was dat laatste al gauw aan de orde, want Zwaantje was zelf zeker niet groot.

Tja die buren. Maar liefst zestig jaren dezelfde buren en nooit één onvertogen woord. Sterker nog, één keer per jaar gingen ze met die buren een dagje of een weekendje weg. Of gewoon ’s avonds een keer een borreltje drinken. Een Beerenburg en een citroentje… Ze stonden altijd klaar voor elkaar. De familie Akse, de beste buren die je wensen kunt. Het was ook mede aan de buren te danken dat ze al die tijd zelfstandig kon blijven wonen in haar huis aan de Beukenlaan. En natuurlijk aan haar kinderen. En, in het laatst, ook aan de meiden van de thuiszorg. Want zelfstandig blijven was een groot goed voor Zwaantje. Ook toen het lichamelijk allemaal heel moeilijk werd. Er werd wel eens voorzichtig de mogelijkheid van een zorgcentrum aangedragen, maar dat was en bleef onbespreekbaar. Als je er over begon dan keek Zwaantje boos naar buiten en zei helemaal niets meer, tot het onderwerp van tafel was. Kijk, eigenlijk was het een medisch wonder dat ze nog steeds leefde. Zo’n broos gestel, die astma, de enorme hoeveelheid medicijnen die ze al in haar lijf had verwerkt… Het was in feite ondenkbaar dat ze überhaupt zo oud was geworden. Iedereen is er van overtuigd dat haar levenshouding, haar levensvreugde, haar optimisme, haar positieve insteek, daar een belangrijke bijdrage aan hebben geleverd. Maar eens moest het natuurlijk een keer fout gaan.

Woensdag 1 mei ging ze weer naar het ziekenhuis in Meppel. De longarts gaf aan dat er eigenlijk een drain geplaatst moest worden, om het vocht uit haar longen af te voeren. Daarvoor moest ze naar Zwolle. Daar ging ze die zondag daarop naar toe. Vijf mei. Maar daar bleek al snel dat die behandeling niet meer mogelijk was. En op dat moment zag ze in dat de weg terug, naar haar eigen huisje, geen optie meer was. En dat was het moment, waarop Zwaantje de strijd opgaf. Ze besloot dat het allemaal geen zin meer had. Hoewel niemand daar eigenlijk klaar voor was, gleed Zwaantje op 8 mei uit dit leven.

 

Noordwolde – Meppel, 14 mei 2013.

Jan Koopman